Korver neemt een slok van zijn koffie. Na de hectische periode rondom de zaak Hendriquez, heeft hij tijd om zijn licht te laten schijnen op de jeugdzorg. Als advocaat staat zowel ouders en kinderen als jeugdzorg-medewerkers bij. “Kijk,” begint hij, “via jeugdzorg grijpt de overheid diep in het leven van kinderen en ouders in. Dan is het toch wonderlijk dat er eigenlijk niet echt toezicht bestaat in de jeugdzorg.”

Er zijn toch toezichthoudende organen als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), de ombudsmannen, de certificeringen?

“De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd zorgt er alleen maar voor dat daarmee wordt voldaan aan een ambtelijke verplichting. Wat betreft het SKJ, daar moeten de ouders nog de weg naar toe vinden. Bovendien richt het SKJ zich alleen op individuen en niet op organisaties. Daardoor komt het regelmatig voor dat organisaties, zoals de Raad voor de Kinderbescherming, bewust rapporten laten ondertekenen door mensen die juist niet in het SKJ geregistreerd zijn. Zo valt het rapport buiten het toezicht van het SKJ. Een slimmigheid vinden ze zelf. Alle ombudsmannen vallen trouwens niet onder toezicht. Dat is een last resort waar je terechtkunt wanneer een klacht niet wordt opgelost. Een ombudsman heeft ook geen sanctiemiddel. Tot slot is zijn er verschillende certificeringen, maar dat is preventief: voldoet een organisatie aan allerlei normeringen en protocollen. Ook dat is geen garantie voor kwaliteit.”

En dan is er nog het tuchtrecht.

“Ja, maar daar wil de sector al weer vanaf. In onze samenleving zijn vele beroepsgroepen onderworpen aan tuchtrecht: dokters, advocaten, notarissen, deurwaarders. En dat is maar goed ook. Maar allerlei mensen die namens de overheid mogen ingrijpen zijn dat juist niet: officieren van Justitie, rechters, bewindvoerders, mentoren, gezinsvoogden. Zwart-wit-gezegd: zij mogen hun gang gaan. Ook daar is er uiteraard een grens. Maar dat zit veeleer in de strafrechtelijke sfeer: een bewindvoerder die steelt van zijn cliënt.

Binnen de jeugdzorg hoor je vaak het argument dat tuchtrecht niet kan, doordat de organisatie en niet de individuele medewerker een beslissing neemt. Maar dat argument faalt. Als je een ziekenhuis wordt geopereerd aan een gebroken heup die door een tumor wordt veroorzaakt, dan zijn er velen bij die operatie betrokken: een orthopeed, oncoloog, anesthesist, operatieassistenten en verpleegkundigen. Wanneer er tijdens de operatie wat fout gaat, wordt iedere betrokkene op zijn individuele handelen beoordeeld. Dat vinden we heel normaal. Maar bij de jeugdzorg zou dat niet kunnen? Het grote gevaar hiervan is dat mensen zich verschuilen achter een gecertificeerde instelling. Niemand is meer verantwoordelijk. Cru gezegd: als alle vinkjes goed staan, dan zal het mij verder worst zijn. Dat is een recept voor ongelukken. “

Maar is het tuchtrecht is ook een reactie op de zaak Savannah. Strafrechtelijke vervolging van gezinsvoogden of gezinsmanagers zou daarmee te voorkomen zijn.

Binnen de jeugdzorg werd een voogd vervolgd. Vervolgens schiet de hele sector in de kramp en worden medewerkers ontzettend voorzichtig. Dat laat goed zien dat enige vorm van handhaving meteen effect heeft. Het getuigt van een volstrekt gebrek aan professionaliteit dat deze sector niet weet om te gaan met tuchtrecht.

Wanneer tuchtrecht handelingsverlegenheid oplevert, dan is dat juist goed. Je moet goed nadenken minder zware alternatieven niet mogelijk zijn. Te hard ingrijpen door tuchtrecht is een groter probleem. Die discussie moeten we als samenleving voeren. Hoogleraar Jeugdrecht Mariëlle Bruning zei laatst: liever een kind teveel uit huis geplaatst dan een kind te weinig. In het strafrecht is het juist omgekeerd: liever tien schuldigen vrij dan één onschuldige vast. Het is een duivels dilemma waar we als samenleving een antwoord op moeten hebben, maar dat nooit expliciet benoemd wordt. Accepteren we dat af-en-toe kinderen slachtoffer zijn van mishandeling en de overheid niet heeft ingegrepen? Of accepteren we dat gezinnen uit elkaar worden gerukt en dat de overheid dat af-en-toe ten onrechte doet? Ik ken als advocaat beide kanten. Beide vormen van trauma zijn niet vergelijkbaar, maar wel allebei ernstig en laten diepe sporen na.

U pleit voor beter inhoudelijk toezicht. Hoe ziet dat eruit?

“Als er een calamiteit is, dan wordt de Inspectie ingezet en die kijkt naar het systeem. Instanties worden zelf gevraagd om onderzoek te doen naar de calamiteit. En als dat onderzoek voldoet aan de maatstaven voor goed onderzoek, dan is de Inspectie weer blij. Zo verwordt de Inspectie tot een administratief bureau dat protocolleert en controleert of die protocollen goed worden gevolgd. Dat is vinkjes zetten, in plaats van je afvragen: een jeugdige die onder ons toezicht stond is komen te overlijden, wat is hier in hemelsnaam misgegaan?

Onder toezicht versta ik dat iemand gevraagd én ongevraagd kan controleren of mensen hun werk wel goed doen. Net zoals in het verkeer zou dat uit een aantal facetten moeten bestaan. Er moeten vaste momenten van controle zijn, zoals de flitspalen op de snelweg. Rijd je te hard, dan flitst de paal en volgt er een boete. In jeugdzorg-termen: is bijvoorbeeld een verlenging van een ondertoezichtstelling tijdig aangevraagd en voldoende onderbouwd? Zijn er veel klachten binnen een organisatie, waar gaan die over en hoe worden ze opgelost? Daarnaast moet er – net als in het verkeer – opvallend en onopvallend gesurveilleerd worden. Daar gaat zeker ook een preventieve werking vanuit. Tot slot houd je een categorie over: de calamiteiten. Het ongeluk waarbij de politie nodig is.”

Korver zou graag zien dat gezinsmanagers meer forensisch te werk gaan. Minder hulpverlenen en meer op zoek naar de waarheid, in zijn woorden.

“U zegt dat uw man u slaat. Wat erg, hoe kan ik u helpen? Maar in de jeugdzorg zou men een andere houding moeten hebben. U zegt dat uw man u slaag. Waar blijkt dat uit? Door veel meer forensisch te kijken en te objectiveren, kan de daadwerkelijke slag naar waarheidsvinding worden gemaakt. Nu is dat een dode letter in de Jeugdwet. In gezinsplannen staan vaak ook subjectieve opmerkingen als ‘vader is een kalende, gespierde man’ en ‘moeder heeft leuke vriendinnen, vader gaat naar de schietschool’. Dit zijn geen extreme voorbeelden; ik kom dit iedere dag tegen.

Door forensisch te kijken kan het dilemma tussen te weinig of te veel ingrijpen ook worden verminderd. Als je objectief iets aan de hand is in een gezin, dan heeft iedere Nederlander begrip dat de overheid ingrijpt. Dan kan een medewerker nog wel eens een fout maken, maar dan zijn het incidenten. Het recht op een familieleven is neergelegd in het EVRM. Wil daarin ingrijpen, dan moet dat wel op objectieve gronden gebeuren.

De politiek moet hierin stelling nemen en aan de sector duidelijk maken dat zij objectief moet werken. Dat moet gehandhaafd worden, maar medewerkers moeten ook daarin opgeleid worden. Met als gevolg dat een deel van de huidige medewerkers dat werk niet meer kan doen.”

Gepubliceerd op 3 april 2018 op www.iederkindveilig.nl