Sinds 2017 is René Peters lid van de Tweede Kamer en heeft jeugdzorg in zijn portefeuille. Daarvoor was hij zes jaar wethouder jeugd van de gemeente Oss. “Het stelsel van toezichthouders is complex en wordt steeds complexer. Iedere keer dat er wat fout gaat komen er toezichthouders bij. Zo moet je niet willen werken.”

“Er zijn veel toezichthouders in de jeugdzorg. Als je daar technisch naar kijkt dan is alles op papier goed geregeld, dus is er geen probleem. Er is een vinklijstje voor als iemand zijn werk niet goed doet. Met dat lijstje kun je iemand aanspreken of ontslaan. Maar dat zegt natuurlijk niks over kwaliteit. Dat is ook ingewikkeld om te meten. Vroeger was er inputmeting: als we genoeg geld aan iets besteden, dan gaat het goed. Dat blijkt niet het geval te zijn. Daarna kwam outputmeting: worden resultaten gehaald? Maar dat zegt ook niks, want ‘what gets measured, gets done’. Als treinen helemaal niet rijden, dan rijden ze in ieder geval altijd op tijd. Toen gingen we klanttevredenheid meten. Niemand geeft een eerlijk antwoord bij zo’n onderzoek, dus dan meet je ook niks.

In de jeugdzorg is het belangrijkste dat een kind veiliger is na een interventie dan ervoor. Als je weet vanuit de wetenschap welke maatregelen werken, dan kun je in ieder geval meten of je die dingen doet. Rust, reinheid en regelmaat zijn goed voor een kind. Een kind kan beter om 20 uur naar bed gaan dan om 23 uur. In theorie betekent effectieve hulp dat je begint met één hulpverlener en dat er na een tijd geen hulpverlener meer is. Het betekent in ieder geval niet dat in het begin één hulpverlener aanwezig is, na een tijd 16 en op de dag dat iemand 18 jaar oud wordt geen meer.

Sturen op vertrouwen
Een gemeente zou veel meer op partnerships en vertrouwen moeten sturen. Met partners die deugen spreek je af dat je van inkoop tot kwaliteitszorg alles samen gaat doen. Niet meer aan tarieven sleutelen of zorg ontoegankelijker maken, maar gezamenlijk een langjarig contract aangaan voor een redelijke prijs. Dan heb je rust van waaruit je in dialoog kunt komen over hoe de kwaliteit verbeterd kan worden. Een dialoog is juist niet spijkerharde criteria opstellen. Zodra je dat doet, ga je die criteria weer meten, dat heeft geen zin.

Dit is een ander model dan de aanbestedingen zoals we die nu kennen. Het Regeerakkoord biedt ruimte voor gemeenten om met gecertificeerde instellingen op een andere manier om te gaan. Voor andere instellingen is die ruimte er helaas nog niet.

Het stelsel van toezichthouders is complex en wordt steeds complexer. Iedere keer dat er wat fout gaat komen er toezichthouders bij. Zo moet je niet willen werken. Een wethouder of staatssecretaris moet de telefoonnummers in zijn mobiel hebben van mensen die bij partners voor hem werken. Verantwoording afleggen betekent: leg mij eens uit wat je doet? Niet het zetten van vinkjes. Hetzelfde geldt voor een gecertificeerde instelling. Die hebben allemaal een keurmerk, dus op papier is alles in orde. In de praktijk moet een bestuurder op de werkvloer kijken hoe het gaat, aan mensen vragen waarom iets gebeurt en daar gevoel bij krijgen. En zorgen dat je mensen kent die zaken voor je uit kunnen zoeken als het misgaat. Zoals alles gaat het om de relaties tussen mensen.

Ook in de jeugdzorg gaat weleens wat mis. Zo’n complex stelsel helpt niet om ouders en kinderen dan te beschermen. Zij hebben geen 14 toezichthouders nodig, maar een telefoonnummer dat zij kunnen bellen. In Noordoost Brabant bestaat Stichting De Noodkreet. Dat is een onafhankelijke stichting die bemiddelt wanneer het fout gaat in de jeugdzorg. Wanneer een klacht binnenkomt dan gaan zij aan de slag met waarheidsvinding. Wat is er aan de hand, war loopt het mis? Dat is geen ingewikkeld traject, maar gewoon een nummer dat je belt. Idealiter zou er één instantie moeten zijn waar je met alle jeugdzorgklachten terecht kunt. In de praktijk kan dat niet doordat bijvoorbeeld een wethouder ook medeverantwoordelijk is voor de uitvoering van de jeugdzorg.

Stapeling van klachten
Met één centraal punt voorkom je ook de stapeling van klachten doordat ouders zich niet gehoord voelen en een wanhoopskreet slaken. Je moet voorkomen dat mensen met hagel gaan schieten. Gehoord voelen betekent niet altijd ook gelijk krijgen. Ouders kunnen boos blijven, wat er ook gebeurt. Soms is het niet op te lossen en soms heeft iemand ook geen gelijk.

Na de dood van Savannah zag je dat jeugdwerkers meer ondertoezichtstellingen gingen regelen. Zij waren bang om aansprakelijk gesteld te worden als het mis zou gaan. Het tuchtrecht komt daaruit voort; strafrechtelijke vervolging zou daarmee te voorkomen zijn. De aansprakelijkheid van individuele medewerkers is een lastig punt. Wanneer mensen aansprakelijk kunnen worden gehouden, dan zullen zij er alles aan doen om aan te tonen dat zij geen fouten hebben gemaakt. Dat zorgt voor een hoop bureaucratie. Een instelling en de overheid gaan daar beleid op maken. Medewerkers moeten zich hieraan houden én aantonen dat zij zich hieraan houden. Medewerkers gaan ook risicomijdend gedrag vertonen. Dat is allemaal niet wat we willen. Een medewerker moet doen wat er gedaan moet worden, liefst door zo min mogelijk op te schrijven. Een medewerker is ook niet individueel verantwoordelijk, dat is de instelling. Maar als er crimineel gedrag vertoond wordt, dan moet dat wel strafrechtelijk worden aangepakt.

Dat pleit niet erg voor het tuchtrecht. Afschaffen is weer het andere uiterste. We moeten vooral goed kijken naar hoe het in de praktijk werkt. Niemand beweegt meer als exact wordt gekeken wat je allemaal doet. Dan krijg je een enorm juridische samenleving waarin iedereen in een kramp zit. Dat draagt niet bij aan de veiligheid van kinderen.

Dit alles vereist wel bestuurlijke moed. Je moet als wethouder of minister durven zeggen: ik heb partners die deugen, die helpen mensen en doen dat goed. Als het misgaat dan kunt u altijd bellen. Samen kijken we dan waar het fout ging, hoe we dat kunnen voorkomen en een lerende organisatie kunnen bouwen.”