Regelmatig publiceert de ParticipatiePraktijk. Soms journalistiek, soms opiniërend. Altijd gericht op het verder brengen van het publieke debat.

Gebreken in de participatiesamenleving

Ruim vijf jaar nadat de participatiesamenleving als opvolger van de verzorgingsstaat werd geïntroduceerd, blijken grote onduidelijkheden te bestaan over wat overheid en burger van elkaar mogen verwachten. Hierdoor ontstaan grote verschillen tussen kansarm en kansrijk.

 

Omdat zijn vrouw de vorige avond onverwacht is opgenomen in het ziekenhuis, heeft meneer Rienstra de hulp van Buurtzorg voor vandaag afgebeld. Mevrouw Rienstra raakte twintig jaar geleden deels verlamd door een goedaardig gezwel in haar rug. Daarvoor runde ze met haar man 32 jaar lang een supermarkt in Den Haag. Behalve de hulp van Buurtzorg komt er een keer per week 2,5 uur een huishoudelijke hulp, betaald door de gemeente.

Nadat de zorgtaken in 2015 werden overgeheveld van het Rijk naar de gemeenten, kwam er een ambtenaar langs voor een keukentafelgesprek over de zorgbehoeften van het echtpaar. Aan het einde van het gesprek hoorden zij dat ze zes uur huishoudelijke hulp zouden krijgen. Een verdubbeling van het aantal uren dat ze daarvoor hadden gehad. Maar daarna kregen ze een brief waarin stond dat ze recht hadden op twee uur. Waarom? Hij heeft geen idee. Na een formeel bezwaar, kwam er een halfuurtje bij, maar daar moeten ze het mee doen.

Het was niet de eerste keer dat het echtpaar Rienstra werd verrast door een beslissing van de gemeente. Een aantal jaren eerder kregen ze plotse- ling bericht dat de gehandicaptenparkeerplaats voor de deur zou worden weggehaald. Meneer Rienstra ging met succes in beroep. Ook de finan- ciële vergoeding die hij van de gemeente kreeg, verdween. In plaats van een kilometervergoeding krijgt hij nu credits van de gemeente, waarmee hij kan sparen voor cadeaus uit een webwinkel. Er is keuze uit onder andere dagjes uit, een drie-gangen-diner of een pakket van Rituals.

Meneer Rienstra begrijpt best dat de overheid wil dat ze meer voor zichzelf zorgen. ‘We laten zien dat we daar alles aan doen. Dan moet de overheid ook niet moeilijk doen over de ondersteuning die we nodig hebben,’ vertelt Rienstra.

Het verhaal van het echtpaar Rienstra is typerend voor de moeizame ontwikkeling van de participatiesamenleving. Het is duidelijk dat burgers meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun eigen leven en voor het leven van hun naasten – en dat een ondersteunende overheid blijft bestaan waar dat moet. Zo beschouwd past de participatiesamenleving goed bij belangrijke sociaal-liberale principes als vertrouwen op de eigen kracht van mensen, belonen van eigen prestaties en delen van welvaart. Lees verder>

 

Gebreken in de participatiesamenleving, wetenschappelijk tijdschrift Idee

17 december 2018, PDF

Te weinig ondersteuning voor burgerinitiatief

De gemeente erkent het belang van mondige burgers en moedigt dit ook aan, maar de handelingswijze van de gemeente sluit hier niet bij aan. Zo luidt-letterlijk-de conclusie van de Rekenkamercommissie Kempengemeenten op basis van een onderzoek dat zij dit voorjaar uitvoerde naar de manier waarop drie Kempengemeenten (Reusel-De Mierden, Oirschot en Eersel) omgaan met initiatieven vanuit de burger.

Beleid

De Rekenkamercommissie nam voor het onderzoek beleidsdocumenten van de gemeenten over burgerparticipatie onder de loep. Ook werd er met een wethouder, enkele raadsleden, ambtenaren en actieve burgers (die ooit zelf een burgerinitiatief van de grond probeerden te krijgen) over het onderwerp gesproken.

Buurtboerderij

Daarnaast bestudeerden de commissieleden burgerinitiatieven die in de periode tussen 2012 en 2017 werden ingediend bij de gemeente, of die bij dorpsraden bekend waren. In Eersel werd de realisatie van een buurtboerderij in de Kerkebogten uitgelicht. Dit was oorspronkelijk een plan van twee verstandelijk beperkte bewoners in deze Eerselse wijk, ondersteund door hun begeleiders. Ook het initiatief van vereniging KempenEnergie om zonnepanelen te plaatsen op het dak van sporthal De Kraanvogel werd nader bestudeerd.

Behoudend

Op basis van de onderzoeksresultaten concludeert de commissie dat Eersel van de drie onderzochte gemeenten het meest behoudend is als het op het faciliteren van burgerinitiatieven aankomt. Input vanuit de samenleving wordt vooral nog gebruikt om draagvlak te creëren voor het eigen beleid.

In plaats daarvan zou Eersel ideeën van burgers vaker kunnen inzetten om projecten vanuit de samenleving mogelijk te maken, zo beveelt de commissie aan. ,,Er is oog voor initiatieven, maar er is zeker nog wat te winnen. Bijvoorbeeld als het gaat om een open houding ontwikkelen naar de burgers toe,”aldus Edwin Melskens, plaatsvervangend voorzitter van de Rekenkamercommissie.

Uitvergroot

Het college onderschrijft grotendeels de conclusies, al liet burgemeester Joseph Vos weten dat hij het jammer vond dat er in het onderzoek maar twee burgerinitiatieven waren bestudeerd. ,,Die zijn nu uitvergroot, maar dat geeft mogelijk geen juist algemeen beeld weer.”

De gemeente zou de burger actiever kunnen stimuleren om zelf met ideeën voor de samenleving te komen, zo luidt het advies in het rapport. De commissie noemt ook de mogelijkheid van het aanstellen van een speciale ambtenaar. Die zou de verbinding moeten leggen tussen de burgers en de ambtelijke organisatie.

Dit artikel over ons rapport Eindrapport Burgerinititiatieven in de Kempengemeenten – Gemeente Eersel verscheen in het het Eindhovens Dagblad op 19 juni 2018.

Handreiking: Omgevingwet en lokale democratie

De Omgevingswet legt een grote nadruk op participatie van belanghebbenden: inwoners, bedrijven, belangenorganisaties en andere bestuurslagen. In 2021 wordt de Omgevingswet van kracht, maar gemeenten kunnen nu al aan de slag met de implementatie en sommige voorlopers doen dat ook al.

Met de Omgevingswet veranderen bevoegdheden van de gemeenteraad binnen het ruimtelijk domein van de gemeente. Maar ook de zachte kant van besturen verandert, door nieuwe werkwijzen die nodig zijn om invulling te geven aan samenwerking en participatie. Er moet een nieuw evenwicht gevonden worden tussen kaders stellen, controleren en vertegenwoordigen. Tegelijkertijd zal ook een nieuw balans ontstaan tussen raad, college en samenleving.

De ParticipatiePraktijk heeft in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Rekenkamers en Rekenkamercommissies (NVRR) onderzoek gedaan naar deze veranderingen en biedt met deze handreiking rekenkamers en rekenkamercommissies praktische handvatten om hun gemeenteraad of -raden te ondersteunen bij het vinden van een nieuw evenwicht. Het onderzoek is gebaseerd op interviews met betrokkenen en deskresearch.

De handreiking behandelt achtereenvolgens de achtergrond van de Omgevingswet en de belangrijkste instrumenten die de gemeente in handen krijgt. Hierna staat de kaderstellende, controlerende en volksvertegenwoordigende rol van de gemeenteraad centraal. Wat zijn belangrijke aandachtspunten per rol en hoe kan de rekenkamer(commissie) de raad daarbij dienstbaar zijn?

De handreiking sluit af met suggesties voor eigen rekenkameronderzoek, inspiratie vanuit afgerond rekenkameronderzoek en een overzicht van mogelijke ketenpartners waarmee de gemeente te maken heeft. Grosso modo zijn de aandachtspunten en handvatten in deze handreiking ook van toepassing op de provincie en de relatie tussen Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en samenleving.

Handreiking Omgevingswet voor rekenkamer(commissie)s

10 juli 2018, PDF

Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen

“Effectief toezicht bestaat niet in de jeugdzorg.”

Korver neemt een slok van zijn koffie. Na de hectische periode rondom de zaak Hendriquez, heeft hij tijd om zijn licht te laten schijnen op de jeugdzorg. Als advocaat staat zowel ouders en kinderen als jeugdzorg-medewerkers bij. “Kijk,” begint hij, “via jeugdzorg grijpt de overheid diep in het leven van kinderen en ouders in. Dan is het toch wonderlijk dat er eigenlijk niet echt toezicht bestaat in de jeugdzorg.”

Er zijn toch toezichthoudende organen als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), de ombudsmannen, de certificeringen?

“De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd zorgt er alleen maar voor dat daarmee wordt voldaan aan een ambtelijke verplichting. Wat betreft het SKJ, daar moeten de ouders nog de weg naar toe vinden. Bovendien richt het SKJ zich alleen op individuen en niet op organisaties. Daardoor komt het regelmatig voor dat organisaties, zoals de Raad voor de Kinderbescherming, bewust rapporten laten ondertekenen door mensen die juist niet in het SKJ geregistreerd zijn. Zo valt het rapport buiten het toezicht van het SKJ. Een slimmigheid vinden ze zelf. Alle ombudsmannen vallen trouwens niet onder toezicht. Dat is een last resort waar je terechtkunt wanneer een klacht niet wordt opgelost. Een ombudsman heeft ook geen sanctiemiddel. Tot slot is zijn er verschillende certificeringen, maar dat is preventief: voldoet een organisatie aan allerlei normeringen en protocollen. Ook dat is geen garantie voor kwaliteit.”

En dan is er nog het tuchtrecht.

“Ja, maar daar wil de sector al weer vanaf. In onze samenleving zijn vele beroepsgroepen onderworpen aan tuchtrecht: dokters, advocaten, notarissen, deurwaarders. En dat is maar goed ook. Maar allerlei mensen die namens de overheid mogen ingrijpen zijn dat juist niet: officieren van Justitie, rechters, bewindvoerders, mentoren, gezinsvoogden. Zwart-wit-gezegd: zij mogen hun gang gaan. Ook daar is er uiteraard een grens. Maar dat zit veeleer in de strafrechtelijke sfeer: een bewindvoerder die steelt van zijn cliënt.

Binnen de jeugdzorg hoor je vaak het argument dat tuchtrecht niet kan, doordat de organisatie en niet de individuele medewerker een beslissing neemt. Maar dat argument faalt. Als je een ziekenhuis wordt geopereerd aan een gebroken heup die door een tumor wordt veroorzaakt, dan zijn er velen bij die operatie betrokken: een orthopeed, oncoloog, anesthesist, operatieassistenten en verpleegkundigen. Wanneer er tijdens de operatie wat fout gaat, wordt iedere betrokkene op zijn individuele handelen beoordeeld. Dat vinden we heel normaal. Maar bij de jeugdzorg zou dat niet kunnen? Het grote gevaar hiervan is dat mensen zich verschuilen achter een gecertificeerde instelling. Niemand is meer verantwoordelijk. Cru gezegd: als alle vinkjes goed staan, dan zal het mij verder worst zijn. Dat is een recept voor ongelukken. “

Maar is het tuchtrecht is ook een reactie op de zaak Savannah. Strafrechtelijke vervolging van gezinsvoogden of gezinsmanagers zou daarmee te voorkomen zijn.

Binnen de jeugdzorg werd een voogd vervolgd. Vervolgens schiet de hele sector in de kramp en worden medewerkers ontzettend voorzichtig. Dat laat goed zien dat enige vorm van handhaving meteen effect heeft. Het getuigt van een volstrekt gebrek aan professionaliteit dat deze sector niet weet om te gaan met tuchtrecht.

Wanneer tuchtrecht handelingsverlegenheid oplevert, dan is dat juist goed. Je moet goed nadenken minder zware alternatieven niet mogelijk zijn. Te hard ingrijpen door tuchtrecht is een groter probleem. Die discussie moeten we als samenleving voeren. Hoogleraar Jeugdrecht Mariëlle Bruning zei laatst: liever een kind teveel uit huis geplaatst dan een kind te weinig. In het strafrecht is het juist omgekeerd: liever tien schuldigen vrij dan één onschuldige vast. Het is een duivels dilemma waar we als samenleving een antwoord op moeten hebben, maar dat nooit expliciet benoemd wordt. Accepteren we dat af-en-toe kinderen slachtoffer zijn van mishandeling en de overheid niet heeft ingegrepen? Of accepteren we dat gezinnen uit elkaar worden gerukt en dat de overheid dat af-en-toe ten onrechte doet? Ik ken als advocaat beide kanten. Beide vormen van trauma zijn niet vergelijkbaar, maar wel allebei ernstig en laten diepe sporen na.

U pleit voor beter inhoudelijk toezicht. Hoe ziet dat eruit?

“Als er een calamiteit is, dan wordt de Inspectie ingezet en die kijkt naar het systeem. Instanties worden zelf gevraagd om onderzoek te doen naar de calamiteit. En als dat onderzoek voldoet aan de maatstaven voor goed onderzoek, dan is de Inspectie weer blij. Zo verwordt de Inspectie tot een administratief bureau dat protocolleert en controleert of die protocollen goed worden gevolgd. Dat is vinkjes zetten, in plaats van je afvragen: een jeugdige die onder ons toezicht stond is komen te overlijden, wat is hier in hemelsnaam misgegaan?

Onder toezicht versta ik dat iemand gevraagd én ongevraagd kan controleren of mensen hun werk wel goed doen. Net zoals in het verkeer zou dat uit een aantal facetten moeten bestaan. Er moeten vaste momenten van controle zijn, zoals de flitspalen op de snelweg. Rijd je te hard, dan flitst de paal en volgt er een boete. In jeugdzorg-termen: is bijvoorbeeld een verlenging van een ondertoezichtstelling tijdig aangevraagd en voldoende onderbouwd? Zijn er veel klachten binnen een organisatie, waar gaan die over en hoe worden ze opgelost? Daarnaast moet er – net als in het verkeer – opvallend en onopvallend gesurveilleerd worden. Daar gaat zeker ook een preventieve werking vanuit. Tot slot houd je een categorie over: de calamiteiten. Het ongeluk waarbij de politie nodig is.”

Korver zou graag zien dat gezinsmanagers meer forensisch te werk gaan. Minder hulpverlenen en meer op zoek naar de waarheid, in zijn woorden.

“U zegt dat uw man u slaat. Wat erg, hoe kan ik u helpen? Maar in de jeugdzorg zou men een andere houding moeten hebben. U zegt dat uw man u slaag. Waar blijkt dat uit? Door veel meer forensisch te kijken en te objectiveren, kan de daadwerkelijke slag naar waarheidsvinding worden gemaakt. Nu is dat een dode letter in de Jeugdwet. In gezinsplannen staan vaak ook subjectieve opmerkingen als ‘vader is een kalende, gespierde man’ en ‘moeder heeft leuke vriendinnen, vader gaat naar de schietschool’. Dit zijn geen extreme voorbeelden; ik kom dit iedere dag tegen.

Door forensisch te kijken kan het dilemma tussen te weinig of te veel ingrijpen ook worden verminderd. Als je objectief iets aan de hand is in een gezin, dan heeft iedere Nederlander begrip dat de overheid ingrijpt. Dan kan een medewerker nog wel eens een fout maken, maar dan zijn het incidenten. Het recht op een familieleven is neergelegd in het EVRM. Wil daarin ingrijpen, dan moet dat wel op objectieve gronden gebeuren.

De politiek moet hierin stelling nemen en aan de sector duidelijk maken dat zij objectief moet werken. Dat moet gehandhaafd worden, maar medewerkers moeten ook daarin opgeleid worden. Met als gevolg dat een deel van de huidige medewerkers dat werk niet meer kan doen.”

Gepubliceerd op 3 april 2018 op www.iederkindveilig.nl

 

 

 

 

“Complex toezicht helpt niet om kinderen te beschermen”

Sinds 2017 is René Peters lid van de Tweede Kamer en heeft jeugdzorg in zijn portefeuille. Daarvoor was hij zes jaar wethouder jeugd van de gemeente Oss. “Het stelsel van toezichthouders is complex en wordt steeds complexer. Iedere keer dat er wat fout gaat komen er toezichthouders bij. Zo moet je niet willen werken.”

“Er zijn veel toezichthouders in de jeugdzorg. Als je daar technisch naar kijkt dan is alles op papier goed geregeld, dus is er geen probleem. Er is een vinklijstje voor als iemand zijn werk niet goed doet. Met dat lijstje kun je iemand aanspreken of ontslaan. Maar dat zegt natuurlijk niks over kwaliteit. Dat is ook ingewikkeld om te meten. Vroeger was er inputmeting: als we genoeg geld aan iets besteden, dan gaat het goed. Dat blijkt niet het geval te zijn. Daarna kwam outputmeting: worden resultaten gehaald? Maar dat zegt ook niks, want ‘what gets measured, gets done’. Als treinen helemaal niet rijden, dan rijden ze in ieder geval altijd op tijd. Toen gingen we klanttevredenheid meten. Niemand geeft een eerlijk antwoord bij zo’n onderzoek, dus dan meet je ook niks.

In de jeugdzorg is het belangrijkste dat een kind veiliger is na een interventie dan ervoor. Als je weet vanuit de wetenschap welke maatregelen werken, dan kun je in ieder geval meten of je die dingen doet. Rust, reinheid en regelmaat zijn goed voor een kind. Een kind kan beter om 20 uur naar bed gaan dan om 23 uur. In theorie betekent effectieve hulp dat je begint met één hulpverlener en dat er na een tijd geen hulpverlener meer is. Het betekent in ieder geval niet dat in het begin één hulpverlener aanwezig is, na een tijd 16 en op de dag dat iemand 18 jaar oud wordt geen meer.

Sturen op vertrouwen
Een gemeente zou veel meer op partnerships en vertrouwen moeten sturen. Met partners die deugen spreek je af dat je van inkoop tot kwaliteitszorg alles samen gaat doen. Niet meer aan tarieven sleutelen of zorg ontoegankelijker maken, maar gezamenlijk een langjarig contract aangaan voor een redelijke prijs. Dan heb je rust van waaruit je in dialoog kunt komen over hoe de kwaliteit verbeterd kan worden. Een dialoog is juist niet spijkerharde criteria opstellen. Zodra je dat doet, ga je die criteria weer meten, dat heeft geen zin.

Dit is een ander model dan de aanbestedingen zoals we die nu kennen. Het Regeerakkoord biedt ruimte voor gemeenten om met gecertificeerde instellingen op een andere manier om te gaan. Voor andere instellingen is die ruimte er helaas nog niet.

Het stelsel van toezichthouders is complex en wordt steeds complexer. Iedere keer dat er wat fout gaat komen er toezichthouders bij. Zo moet je niet willen werken. Een wethouder of staatssecretaris moet de telefoonnummers in zijn mobiel hebben van mensen die bij partners voor hem werken. Verantwoording afleggen betekent: leg mij eens uit wat je doet? Niet het zetten van vinkjes. Hetzelfde geldt voor een gecertificeerde instelling. Die hebben allemaal een keurmerk, dus op papier is alles in orde. In de praktijk moet een bestuurder op de werkvloer kijken hoe het gaat, aan mensen vragen waarom iets gebeurt en daar gevoel bij krijgen. En zorgen dat je mensen kent die zaken voor je uit kunnen zoeken als het misgaat. Zoals alles gaat het om de relaties tussen mensen.

Ook in de jeugdzorg gaat weleens wat mis. Zo’n complex stelsel helpt niet om ouders en kinderen dan te beschermen. Zij hebben geen 14 toezichthouders nodig, maar een telefoonnummer dat zij kunnen bellen. In Noordoost Brabant bestaat Stichting De Noodkreet. Dat is een onafhankelijke stichting die bemiddelt wanneer het fout gaat in de jeugdzorg. Wanneer een klacht binnenkomt dan gaan zij aan de slag met waarheidsvinding. Wat is er aan de hand, war loopt het mis? Dat is geen ingewikkeld traject, maar gewoon een nummer dat je belt. Idealiter zou er één instantie moeten zijn waar je met alle jeugdzorgklachten terecht kunt. In de praktijk kan dat niet doordat bijvoorbeeld een wethouder ook medeverantwoordelijk is voor de uitvoering van de jeugdzorg.

Stapeling van klachten
Met één centraal punt voorkom je ook de stapeling van klachten doordat ouders zich niet gehoord voelen en een wanhoopskreet slaken. Je moet voorkomen dat mensen met hagel gaan schieten. Gehoord voelen betekent niet altijd ook gelijk krijgen. Ouders kunnen boos blijven, wat er ook gebeurt. Soms is het niet op te lossen en soms heeft iemand ook geen gelijk.

Na de dood van Savannah zag je dat jeugdwerkers meer ondertoezichtstellingen gingen regelen. Zij waren bang om aansprakelijk gesteld te worden als het mis zou gaan. Het tuchtrecht komt daaruit voort; strafrechtelijke vervolging zou daarmee te voorkomen zijn. De aansprakelijkheid van individuele medewerkers is een lastig punt. Wanneer mensen aansprakelijk kunnen worden gehouden, dan zullen zij er alles aan doen om aan te tonen dat zij geen fouten hebben gemaakt. Dat zorgt voor een hoop bureaucratie. Een instelling en de overheid gaan daar beleid op maken. Medewerkers moeten zich hieraan houden én aantonen dat zij zich hieraan houden. Medewerkers gaan ook risicomijdend gedrag vertonen. Dat is allemaal niet wat we willen. Een medewerker moet doen wat er gedaan moet worden, liefst door zo min mogelijk op te schrijven. Een medewerker is ook niet individueel verantwoordelijk, dat is de instelling. Maar als er crimineel gedrag vertoond wordt, dan moet dat wel strafrechtelijk worden aangepakt.

Dat pleit niet erg voor het tuchtrecht. Afschaffen is weer het andere uiterste. We moeten vooral goed kijken naar hoe het in de praktijk werkt. Niemand beweegt meer als exact wordt gekeken wat je allemaal doet. Dan krijg je een enorm juridische samenleving waarin iedereen in een kramp zit. Dat draagt niet bij aan de veiligheid van kinderen.

Dit alles vereist wel bestuurlijke moed. Je moet als wethouder of minister durven zeggen: ik heb partners die deugen, die helpen mensen en doen dat goed. Als het misgaat dan kunt u altijd bellen. Samen kijken we dan waar het fout ging, hoe we dat kunnen voorkomen en een lerende organisatie kunnen bouwen.”

Ervaringsdeskundigheid: juist bij ingewikkelde casus

“Ik heb heel veel therapie en begeleiding thuis gehad. Daarna heb ik bij vrienden en in een pleeggezin gewoond om uiteindelijk op een leefgroep te belanden. Voor mijn gevoel woog mijn wil minder zwaar dan die van mijn ouders. Maar toen ik hierover later met hen in gesprek ging, bleken zij eenzelfde beleving te hebben gehad. Zij werden bijvoorbeeld te weinig meegenomen in het proces rondom mijn uithuisplaatsing.

Wanneer ik nu jeugdhulpverleners adviseer om te luisteren naar de cliënt, staat inmiddels ook niet meer alleen mijn eigen verhaal centraal. Ik heb mijn eigen ervaringen geanalyseerd en ik heb erop gereflecteerd. Ik heb mijn kennis aangevuld met ervaringen van anderen. Al deze ervaringskennis kan ik nu inzetten om de kinderen van nu een goede toekomst te geven.

Eén vraag kan het verschil maken

Door wat ik zelf en om me heen heb meegemaakt, vind ik situaties die ik in het werk tegenkom, denk ik, niet zo snel gek of heftig. Ik merk dat bij onderwerpen waar mijn collega’s soms handelingsverlegen over zijn, ikzelf nauwelijks een drempel ervaar om door te vragen. Zo vroeg ik laatst aan een jongen, wat zijn vader doet als hij boos wordt en of die hem dan ook aanraakt. En een moeder die zei dat ze soms gewoon even weg wilde, vroeg ik of ze een vakantie bedoelde of uit het leven wilde stappen. Ze bleek vergevorderde suïcideplannen te hebben, maar dat was niet naar voren gekomen in het gesprek als ik die vraag niet had gesteld.

Ik weet uit eigen ervaring hoe belangrijk één vraag kan zijn. Als iemand in mijn jeugd één ker had gevraagd of ik op jongens viel, had ik niet zo hoeven worstelen met mezelf en waren de problemen met mijn ouders daardoor waarschijnlijk ook minder groot geweest. Al zou ik, eerlijk gezegd, niet tegen iedereen open en eerlijk geweest zijn hierover. Zodra ik namelijk zag dat mijn nieuwe casemanager het symbool van een visje achterop haar auto had, had ik voor mezelf bedacht dat zij vanuit haar geloof mijn homoseksualiteit nooit zou accepteren en besloot ik mijn mond dicht te houden. Vertrouwen verandert snel in wantrouwen, maar als er eenmaal wantrouwen is is vertrouwen creëren een stuk lastiger.

Specifieke ervaringskennis nodig

Bij veel cliënten weet ik goed aan te sluiten, maar soms is specifieke ervaringskennis nodig. Zo heb ik Rosa uitgenodigd op mijn werk om samen met onze psychiater een training te geven over borderline. En Mohini, die zelf ervaring heeft in het criminele- en loverboycircuit, kon als geen ander meiden die hier gevoelig voor zijn, bewust maken van de gevolgen. En ze heeft mijn collega’s en samenwerkingspartners op ideeën gebracht over een goede aanpak rondom veiligheid die wij zonder ervaring niet hadden bedacht.

Ook denk ik aan Jason, die open is over zijn zelfbeschadiging. Hij is tijdens een bijeenkomst met hulpverleners de discussie gestart of op een groep middelen om te snijden niet afgepakt maar vervangen zouden moeten worden door minder schadelijke alternatieven. Bij hem op de groep bleef het hierdoor een bespreekbaar thema en heeft hij zijn zelfbeschadiging kunnen afbouwen. De dag nadat ik hier met Jason over had gepraat, bespraken we op mijn werk het suïcideprotocol en bracht ik deze ervaringskennis in. Dit leidde tot een heel interessant gesprek met nieuwe invalshoeken en eerste kleine veranderingen in hoe we aankijken tegen en communiceren over zelfbeschadiging.

Schroom niet om ons te benaderen

Natuurlijk denk ik het liefst groot, dus gun ik iedereen in de jeugdhulp een ervaringsdeskundige als gelijkwaardige collega. In mijn dromen worden alle hulpverleners opgeleid om naast theoretische kennis uit opleidingen ook hun eigen ervaringen te zien als waardevolle bron van kennis.

Maar zo ver zijn we nog niet, dus vandaar dat ik graag de verhalen deel over Rosa, Mohini en Jason. Zij zijn voorbeelden van de 150 Experienced Experts die een training hebben gehad om hun eigen ervaring in te zetten als maatje van jongeren of adviseur van organisaties.

De ervaringskennis van ex-cliënten uit de jeugdhulp kan de hulpverlening verder brengen en verbeteren. Wij weten als geen ander wat helpt en wat niet helpt. Juist bij ingewikkelde situaties. Dus schroom niet om ons te benaderen. Eén vraag kan het verschil maken.”

Gepubliceerd op 17 november 2017 op www.iederkindveilig.nl

Afbeelding: Gerard Stolk
Origineel