Hoe werkt beleid in de praktijk? Via verschillende onderzoeksmethoden – actieonderzoek, beleidsonderzoek, rekenkameronderzoek – biedt de ParticipatiePraktijk antwoord op deze vraag rondom tal van maatschappelijke onderwerpen.

Waar staan leraren voor?

Welke vrijheid hebben leraren om zelf hun vak vorm te geven? Wat mogen docenten van de school verwachten? Hoe houden leraren elkaar scherp? De ParticipatiePraktijk verzorgt voor de scholen een dag waarop alle leraren en het onderwijs ondersteunend personeel met de schoolleiding in gesprek gaan over deze vragen. Zodat de schoolleiding daarna een breed gedragen professioneel statuut kan opstellen.

Afbeelding: Gemeente Amsterdam

Gepersonaliseerd leren

Gepersonaliseerd leren betekent denken vanuit leerdoelen in plaats van leermiddelen. Met de inzet van veelal nieuwe digitale middelen en een nieuwe houding van docenten kunnen leerlingen een leerpad volgen dat op hun specifieke situatie is toegespitst. Een aantal basis- en middelbare scholen in Amsterdam en Almere heeft hier de afgelopen jaren mee geëxperimenteerd en de Vrije Universiteit heeft onderzoek gedaan naar de resultaten. Nu is het punt gekomen om een punt te markeren: wat hebben de scholen bereikt en hoe gaan zij de komende jaren verder aan de slag hiermee? De ParticipatiePraktijk adviseert scholen bij het markeren van dit punt middels een zomers congres en verzorgt de inhoud en vorm hiervan.

(afbeelding: Sebastiaan ten Burg, CC BY 2.0)

(On)gelijkheid in de participatiesamenleving

Ruim vijf jaar nadat de participatiesamenleving werd geïntroduceerd, heeft de PartcipatiePraktijk de balans opgemaakt door in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en de Brabantse dorpen Schaijk en Ravenstein op zoek te gaan naar de dagelijkse praktijk van de participatiesamenleving. We hebben gesproken met tientallen bewoners, mantelzorgers, jongerencoaches, wijkverpleegkundigen, beleidsambtenaren, wethouders, denkers en doeners.

Vanuit deze praktijk komen we tot vijf aandachtspunten: het verhaal van wat de participatiesamenleving is en zou moeten zijn, moet veel meer inhoudelijk geladen worden; duidelijkheid over de rol van de overheid laat te wensen over; de mythe dat iedereen kan participeren moet worden doorbroken; er kleven keerzijdes aan burgerinitiatieven en er ontstaan grote verschillen in Nederland.

Het actieonderzoek was een samenwerking met De Haagse Hogeschool, Hogeschool Inholland, Hogeschool Rotterdam en de Hogeschool van Amsterdam. Daarnaast heeft het Sociaal en Cultureel Planbureau meegedacht met de opzet van het onderzoek. Het onderzoek is deels gefinancierd door het Oranjefonds en het VSBfonds.

Onderdeel van het onderzoek waren ook town hall meetings in het land en een debatavond in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam.

Handreiking (On)gelijkheid in de participatiesamenleving

18 oktober 2018, PDF

Website Actieonderzoek ‘(On)gelijkheid in de participatiesamenleving

Omgevingswet en gemeenteraden

Bij de invoering in 2021 vervangt de Omgevingswet 26 wetten in het fysieke domein. Daarnaast wordt het aantal betrokken algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen sterk teruggebracht. Deze bundeling van wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, monumenten, milieu, natuur en water vormt de basis voor een meer integraal beheer van en ontwikkelingen in de hele fysieke leefomgeving, met veel ruimte voor lokaal maatwerk en uitnodigingsplanologie. De Omgevingswet legt een grote nadruk op participatie van belanghebbenden: inwoners, bedrijven, belangenorganisaties en andere bestuurslagen. In 2021 wordt de Omgevingswet van kracht, maar gemeenten kunnen nu al aan de slag met de implementatie en sommige voorlopers doen dat ook al.

Met de Omgevingswet veranderen bevoegdheden van de gemeenteraad binnen het ruimtelijk domein van de gemeente. Maar ook de zachte kant van besturen verandert, door nieuwe werkwijzen die nodig zijn om invulling te geven aan samenwerking en participatie. Er moet een nieuw evenwicht gevonden worden tussen kaders stellen, controleren en vertegenwoordigen. Tegelijkertijd zal ook een nieuw balans ontstaan tussen raad, college en samenleving.

In opdracht van de  Nederlandse Vereniging van Rekenkamers en Rekenkamercommissies (NVRR) heeft De ParticipatiePraktijk onderzoek gedaan naar deze veranderingen en bieden we in de handreiking rekenkamers en rekenkamercommissies praktische handvatten om hun gemeenteraad of -raden te ondersteunen bij het vinden van een nieuw evenwicht.

 

10 juli 2018, PDF

Burgerinitiatieven in de Kempengemeenten

In opdracht van de Rekenkamercommissie Kempengemeenten heeft de ParticipatiePraktijk onderzoek gedaan naar burgerinitiatieven in Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden.

Burgers kunnen op vele manieren participeren in hun gemeenschap, bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk, het bijwonen van inspraakavonden of het houden van inzamelingsacties. In het onderzoek ‘Burgerinitiatieven Kempengemeenten’ kijken we naar een specifieke vorm van participeren: formele en informele burgerinitiatieven.

Het onderzoek dat in de gemeenten Oirschot, Reusel-De Mierden en Eersel is uitgevoerd, bestaat uit drie verschillende deelrapporten. Welke initiatieven zijn er in de samenleving? Hoe gaan de gemeenten hiermee om? Wat is de rol van de betrokken bestuurders en gemeenteraden? Op basis van ons onderzoek hebben we aanbevelingen aan de gemeenteraden van Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden gedaan.

 

Dakloze gezinnen in Amsterdam

De onzekere en soms uitzichtloze situatie in de opvang is niet wenselijk voor kinderen. Het afgelopen jaar bezochten de Kinderombudsman en haar medewerkers diverse opvanglocaties en voerden zij gesprekken met de GGD, hulpverleners, ambtenaren en andere betrokken professionals. De gemeente lijkt hard te werken aan het creëren van meer woonruimte maar in de tussentijd hebben de kinderen geen thuis. Economische omstandigheden mogen geen beperking vormen in de ontwikkeling van kinderen. Daarmee wordt financiële armoede ook sociaal-emotionele armoede.

 

Wat zijn de belangrijkste problemen?

1. Tekort betaalbare huurwoningen

Voorop staat het tekort aan betaalbare huurwoningen, daar zijn de meeste het over eens, maar dat lossen we hier aan tafel niet op.

2. Te laat in beeld

Gezinnen dreigen ontruimd te worden doordat de hulpverlening huishoudens niet op tijd in beeld heeft. Er zijn veel meer signalen dat huishoudens financieel kunnen afglijden, dan huurachterstanden. Er op afgaan bij huurachterstanden is vaak al te laat omdat mensen de huur het langst blijven betalen.

3. Onvolledig beeld

Ook ontbreekt vaak een volledig beeld van alle problemen van het gezin, financieel en anderszins. Hulpverleners kijken vaak alleen vanuit hun eigen specialisme en niet naar het totaal plaatje.

4. Informatiedelen

Er wordt te weinig informatie gedeeld. Vanwege de (verplichte) bescherming van privacy seint bijvoorbeeld de huisarts de schuldhulpverlening niet in bij signalen van schulden. Hulpverleners zijn bang met tuchtrecht te maken te krijgen als ze andere hulpverleners inseinen.

5. Institutioneel wantrouwen

Burgers hebben geen vertrouwen in de overheid en zijn bang zelf door de overheid gewantrouwd te worden. ‘Ik meld me niet aan, straks halen ze mijn kind weg / of ze willen documenten die ik niet kan leveren’. Mensen schamen zich en/of voelen zich veroordeeld door hulpverleners.

6. Hogere eisen van samenleving

Juist voor de groep burgers die het meeste hulp nodig hebben en vaak het laagst ontwikkeld zijn, maken we de procedures divers en ingewikkeld. Tweedeling: mensen die mee kunnen komen en mensen die het niet redden.

7. Draagkracht netwerk

Netwerk van gezinnen is zelf te zwak om gezinnen op te vangen. Familie accepteert de situatie van een gezin niet waardoor ze op zichzelf zijn aangewezen. Kostendelersnorm werkt hulp door netwerk tegen.

8. Botsende kaders

Alle gemeentes hebben in hun huisvestingsverordening opgenomen dat iemand minstens twee jaar in een gemeente ingeschreven moet staan. Hierdoor vallen mensen die kort voor ze dakloos werden verhuisd zijn naar een andere gemeente overal buiten de boot voor een urgentieverklaring voor een woning. Dit zou opgevangen moeten worden doordat een van de gemeentes de hardheidsclausule toepast, maar dat gebeurt niet.

9. Te hoge voorwaarden (nieuw) huurcontract

Woningcorporaties hangen te veel aan een verhuurdersverklaring. Als er lastig saneerbare schulden zoals een woning op naam van jou en je ex, of onbekende schulden zijn, kan het lang duren voordat die geregeld zijn en al die tijd wil willen verhuurders geen huurcontract met je aangaan.

 

10. Kwaliteit hulpverleners

Het lukt hulpverleners vaak niet om een plan van aanpak te maken met een realistisch perspectief. Daarbij helpt niet dat niet duidelijk is wie de kar trekt, verschillende plannen die niet met elkaar sporen .

11. Kwantiteit hulpverleners

Of er zijn te veel hulpverleners betrokken waardoor iedereen denkt dat de ander de kar trekt of de hete ijzers uit het vuur halt. Of mensen moeten juist wachten tot de juiste specialist beschikbaar is. 12. Focus en motivatie
Doordat samenhangend plan ontbreekt lukt het niet om de betrokken te motiveren. Mensen kunnen of willen soms niet doen wat nodig is om uit hun situatie te komen. Dan is het aan de hulpverlener om te motiveren en ondersteunen waar nodig.

12. Wachttijden

Het is wachten op de juiste hulpverlening, op de behandeling van aanvragen voor voorzieningen, op woningen.